|
Reacties voorliggende erfgoeddecreet
| Reacties museumveld erfgoeddecreet (gepost door Johan Schaeverbeke) |
26-06-2007 11:47 |
Hallo, dank voor uw brief.
Even een kleine bedenking die ik reeds meerdere malen heb geuit maar niet altijd in goede aarde valt.Wat is er nu het belangrijkste, de hoeveelheid musea of de kwaliteit?????Als ieder dorpje en parochie zijn museum moet hebben en ieder clubje wil gesponserd worden dan kunnen wij nog lang vergaderen vb in Dudzele waar ik woon hebben zij nu ook een folkloristisch museum dat reeds 8 jaar stond te verloederen,maar met een nieuw impuls weer subsidies krijgt van de stad....het is een piepklein museum eigenlijk een samenvoegsel van wat gevonden materiaal....ik zou voor mezelf nooit dit durven bestempelen als een openbaar museum en toch.
De tijd dat ieder gemeenschap,dorp enz een cultureel centrum of museum moet hebben is niet realistisch en onmogelijk te onderhouden.Sorry als dit er even uit moet.
|
| opmerkingen en antwoorden (gepost door Dominiek Dendooven) |
26-06-2007 09:27 |
Deze opmerkingen had ik eerder doorgestuurd aan een aantal collega's en aan de administratie. Het uitgebreide antwoord van Dries Vawege de administratie, en waarvoor ik hen dank, staat daaronder.
Dit nieuwe decreet kan gezien worden als verraad van de overheid aan die instellingen die volgens het huidige decreet goed werk leveren: Talrijke instellingen zijn jarenlang geëvolueerd volgens de geest van het museum- en erfgoeddecreet. Museumfuncties werden geïntegreerd, samenwerkingsverbanden werden opgestart en, bovenal, het decreet liet toe een langetermijnplanning toe te passen. Een, ook inhoudelijk, totaal nieuw decreet zet de toekomstplannen, de werking op lange termijn waarmee soms reeds een aanvang werd genomen, minstens ten dele op de helling. Subsidiëring is een soort contract: je krijgt centen in ruil voor een goede werking. Wanneer ondanks goede werking, er geen voortzetting van het contract volgt, laat dit een bitter gevoel na. Ik vraag mij af waarom er niet geopteerd werd voor het uitdiepen, aanpassen en uitbreiden van het bestaande erfgoeddecreet in plaats van het omgooien van het beleid.
Het nieuwe decreet zal noodzakelijke dynamiek wegnemen en dus inertie en verstarring in de hand werken: Meer bepaald het wegvallen van projectsubsidies zal een zeer negatief effect hebben. Voor een termijn van vijf jaar kunnen onmogelijk onverhoedse kansen ingecalculeerd worden, zoals een uniek en belangrijk stuk of verzameling die te koop aangeboden wordt, het voorstel van een anbdere, misschien wel grote en prestigieuze instelling om op korte termijn iets op poten te zetten, enzovoort.
De “blurificatie” van de sector wordt nog verder in de hand gewerkt: “Cross-over” en “geïntegreerde erfgoedpraktijk” zijn belangrijke elementen in het voorstel, waar niets op tegen is. Ik vrees echter dat de hele erfgoedsector nog onduidelijker en onbegrijpelijker zal worden dan zij nu al is. Voor leken, maar zelfs voor mensen uit het werkveld. Met het museumdecreet kregen we het museumconsulentschap: al uit de naam was duidelijk wat die mensen deden. Maar dat ging dan op in Culturele Biografie Vlaanderen (na al die jaren begrijp ik de term nog steeds niet. Ik heb het vijf maanden geleden eens proberen uit te leggen aan Britse collega’s en die vonden het “probably typical Belgian”), welke term wordt het nu en zal duidelijk zijn waarvoor het nieuwe, eengemaakte steunpunt staat?
Idem dito: stadsmuseum, stadsarchief, erfgoedcel zijn ingeburgerde begrippen: het is duidelijk en aanvaard waarvoor elk van die instellingen staat en wat zij doen. De cross-over en wederzijdse samenwerking is nu de facto een feit, sommige uitzonderingen niet te na gesproken. Het zijn vaste partners in het plaatselijk erfgoedveld. Tegelijk blijft het voor de buitenwereld ook helder wie wat doet. Een “forum voor geïntegreerde erfgoedpraktijk” is op de eerste plaats een terminologisch monster: wie zal dat ooit gebruiken? Ook als een “mooiere” term gevonden wordt, is het probleem niet van de baan: wat is geïntegreerde erfgoedpraktijk. Indien, dat wil zeggen dat er nauw samengewerkt wordt en middelen worden gedeeld, dan is dat nu al in de meeste gevallen een feit. Indien men echter tot een nieuwe instelling komt, zoals naar ik meen de bedoeling is, zal de wederzijdse kruisbestuiving tussen bv erfgoedcel en museum en stadsarchief, die nu vaak zo vruchtbaar blijkt, wegvallen.
In het nieuwe decreet staat goede werking niet centraal, enkel uitstraling: Het totaal ontbreken van criteria zoals, in het geval van de musea, de optimalisering van museumfuncties en goede werking, vind ik ronduit shockerend. Musea moeten beoordeeld worden op de manier waarop ze de museumfuncties volgens de internationaal erkende ICOM-definitie, toepassen. Landelijk erkend worden alleen die musea die een landelijke uitstraling hebben, of waarvan het thema van landelijk belang is. Dit lijkt mij een uiterst subjectief criterium, want wie zal dat bepalen? In hoeverre is het MUHKA van landelijk belang, terwijl er twee andere hedendaagse kunstenmusea zijn, terwijl pakweg het Bakkerijmuseum enkel van regionaal belang zou zijn, terwijl er maar één bakkerijmuseum is en brood en bakkers een vrij universeel gegeven zijn (en het museum qua bezoekerscijfers helemaal niet slecht scoort) ? Opent het nieuwe decreet de poort naar meer (ministeriële) willekeur?
Het nieuwe decreet is er vooral op maat voor de grote steden: Het dominante discours omtrent het nieuwe decreet is volledig gefixeerd op “de grote drie” (Antwerpen, Gent en Brugge). Vooral wanneer het over de integratie stadsmuseum- erfgoed cel in “fora voor geïntegreerde erfgoedpraktijk” gaat, blijkt dit duidelijk. Dit gaat voorbij aan het feit dat er in Vlaanderen van oudsher veel kleine en middelgrote steden zijn die geen onbelangrijke erfgoedspelers zijn.
Het voorstel heeft weinig of geen voeling met de realiteit: Het huidige voorstel lijkt op een poging om allerlei theorieën en theoretische modellen in de praktijk om te zetten, eerder dan het gebaseerd is op het toetsen van de praktijk, enkele uitzonderingen misschien niet te na gesproken (Antwerpen?).
Ook het bedoelde responsabiliseren van gemeentelijke en provinciale overheden, lijkt me bijzonder naïef: zal dat lukken ? Zal het in de praktijk niet gewoon zijn dat de gemeenten/provincies die nu reeds subsidiëren dat in dezelfde mate zullen blijven doen, en omgekeerd? Welk middel bestaat er/kan er bestaan om een plaatselijke overheid te dwingen dat te doen? Veel, vooral kleinere gemeenten zullen daar allerminst toe geneigd zijn, of er de mogelijkheid toe hebben. De Vlaamse regering onttrekt zich hier m.i. aan haar verantwoordelijkheid ten opzichte van de kleinere instellingen die van haar precies een steuntje in de rug nodig hebben om ook bij de plaatselijke overheid bestaansrecht te verdienen.
Dominiek Dendooven, Stedelijke Musea Ieper
Dominiek,
In elk geval bedankt voor jouw reactie. We horen de opmerkingen liever nu zodat we kunnen rekening houden met de opmerkingen of misvattingen kunnen rechtzetten.
We zullen proberen jouw vragen zo goed mogelijk te beantwoorden, en hopelijk kunnen aantonen waarom het nieuwe Erfgoeddecreet wel een vooruitgang is op de huidige regelgeving.
1. Het Erfgoeddecreet is een vertaling in regelgeving van een deel van het cultureel-erfgoedbeleid van de Vlaamse Gemeenschap. Het cultureel-erfgoedbeleid bestaat uit meer dan alleen maar het Erfgoeddecreet. Er is ook het Topstukkendecreet, een aankoopregeling voor sleutelwerken, het beheer van de collectie van de Vlaamse Gemeenschap, de Erfgoeddag, de Week van de Smaak, de eigen instellingen ... . Het is niet de bedoeling en dat hoeft ook niet om het volledoge beleid in regelgeving te gieten.
In 2000 werd er voor gekozen om het cultureel-erfgoedbeleid niet langer te beperken tot een museumbeleid. Dit is voor een groot stuk de verdienste/ op vraag van het erfgoedveld. Het antwoord van de Vlaamse Gemeenschap hierop was het sluiten van erfgoedconvenants en het opstarten van een aantal experimentele subsidielijnen. Deze verruiming van het beleid heeft er mee voor gezorgd dat de volkscultuur en ook het beleid naar de vier archief- en documentatiecentra niet langer vanuit de volksontwikkeling werd benaderd maar nu integraal deel uitmaakt van het cultureel-erfgoedbeleid. Deze organisaties krijgen een plaats, functie en rol in het verbeteren van de zorg voor en ontsluiting van het cultureel erfgoed in Vlaanderen. Ook het beleid naar musea toe dat de Vlaamse Gemeenschap tot op vandaag voert heeft deze doelstelling.
Vlaanderen is vrij klein en heeft een rijk aanbod aan erfgoed dat verspreid wordt bewaard in grote en kleine erfgoedinstellingen en in grote en kleine erfgoedorganisaties maar ook bij organisaties en instellingen die erfgoed niet als een kerntaak hebben (scholen, kerken en kloosters, bedrijven, middelveldorganisaties, ... ). De erfgoeddichtheid is groot maar verspreid. Deze rijkdom is zichtbaarder geworden door het cultureel-erfgoedbeleid te verrruimen. Voor 2000 kwamen enkel museumcollecties in beeld.
We zijn ervan overtuigd dat de middelen (niet alleen van de Vlaamse Gemeenschap maar ook van provincies en gemeenten) die nu worden geïnvesteerd in het cultureel-erfgoedbeleid, en dan meer in het bijzonder in de ondersteuning van individuele actoren, efficiënter kunnen ingezet worden en dat deze middelen een groter effect kunnen hebben op de zorg voor en ontsluiting van het cultureel erfgoed in Vlaanderen.
Alle overheidsmiddelen efficienter inzetten gaat het best wanneer goede afspraken worden gemaakt tussen de verschillende bestuursniveau's. In het verleden waren er enkel afspraken met de provincies over de regionale musea en de begeleiding van musea door museumconsulenten (provinciale en consulenten bij CBV). Met de gemeenten waren geen afspraken. Goede afspraken kunnen enkel gemaakt worden wanneer alle partijen zich er in kunnen vinden. De afspraken tussen de provincies en de Vlaamse Gemeenschap over de subsidiëring van regionale musea waren door de verschillende wijzigingen van het Museumdecreet een koppelsubsidie geworden. Daarom werd het bindend advies van de provincies voor indeling bij het regionale niveau niet weerhouden in het Erfgoeddecreet. Om hier weer klaarheid in te krijgen is beslist, en dit sluit aan bij de afspraken gemaakt in het kader van het kerntakendebat, om de exclusieve bevoegdheid om musea in te delen bij het regionale niveau opnieuw bij de provincies te leggen. Dit met als consequentie dat zijn instaan voor de subsidiëring van deze musea. Elke verankering hiervan in een decreet gaat in tegen het vandaag geldend principe dat elk bestuur autonoom is om haar eigen beleid te bepalen.
De Vlaamse Gemeenschap voert gesprekken met de provincies om de overgang zo soepel mogelijk te laten verlopen.
De verantwoordelijkheid voor het lokale cultureel-erfgoedbeleid ligt bij de lokale besturen. Dat was in het huidige Erfgoeddecreet al zo en blijft behouden in het nieuwe Erfgoeddecreet. Op basis van het huidige Erfgoeddecreet heeft de Vlaamse Gemeenschap geen zicht op hoe de gemeenten deze verantwoordelijkheid vandaag op zich nemen met uitzondering van wat gemeenten in erkende musea investeren. Uit de begroting van de individuele musea kan dat afgeleid worden. Door het sluiten van erfgoedconvenants investeert de Vlaamse Gemeenschap mee in het lokale erfgoedbeleid. Het lokale bestuur is het best geplaatst om de waarde van een lokaal initiatief het best in te schatten, vanuit dezelfde redenering werden vanaf 2000 erfgoedconvenants gesloten. Het rechtstreeks subsidiëren van erkende musea ingedeeld bij het basisniveau is een anomalie op de duidelijke afbakening van taken en verantwoordelijkheden.
Het nog één beleidsperiode toekennen van een werkingssubisdie aan de erkende musea ingedeeld bij het basisniveau moet de mogelijkheid geven aan alle gemeenten waar er voldoende erfgoed aanwezig is om een erfgoedconvenant te sluiten.
In het huidige Erfgoeddecreet is de erkenning (het toekennen van een kwaliteitslabel) ook al volledig losgekoppeld van de subsidiëring. Een erkend museum kan een werkingssubsidie aanvragen en kan projectsubsidies aanvragen. De werkingssubsidies worden toegekend op basis van een indeling van het museum bij het basis-, het regionale of het landelijke niveau. Aan deze niveau's is een forfaitair bedrag gekoppeld.
Het kwaliteitsvol werken zal blijvend beloond worden door het toekennen van een kwaliteitslabel. De minister zal het label toekennen, op advies van een visitatiecommissie. Deze visitatiecommissie bestaat voornamelijk uit experten. Wij doen de administratie van de commissies en zorgen voor een gelijkaardige beoordeling van elke aanvraag door de verschillend samengestelde visitatiecommissies. Het kwaliteitslabel wordt toegekend op basis van een in consensus met het veld opgestelde checklist. Het kwaliteitslabel evolueert meer in de richting van het Nederlandse model waar de registratie door de Museumvereniging gebeurt. Voor sommige subsidielijnen van de Nederlandse overheid is het bezitten van een registratie een noodzaak.
Het beleid wordt niet omgegooit maar eerder scherper gesteld. Het wordt ook uitgebreid door de landelijke erfgoedinstellingen (waaronder landelijke musea) een grotere verantwoordelijkheid te geven voor het erfgoedveld dat verwant is (de erfgoedgemeenschap). Het gaat dus niet alleen over de uitstraling van een museum, een thema of een instelling maar de meerwaarde die deze voor het veld kan betekenen. Deze actoren zullen natuurlijk de belangrijkste partners zijn van de overheid voor het uitvoeren van haar erfgoedbeleid en logischer wijs zorgen voor de uitstraling van Vlaanderen op het vlak van het cultureel-erfgoedbeleid.
2. Op dit moment komen enkel musea in aanmerking voor en werkingssubsidies en projectsubsidies, deze projectsubsidies zijn er voor de versterking van de basisfuncties. De werkingssubisdies is voor de ondersteuning van de basisfuncties. Waar de grens kan en moet getrokken worden tussen de dagdagelijkse werking en de versterking van de werking is niet geheel duidelijk. Het resultaat is dat vele musea een extra subsidie (projectsubsidie) aanvragen voor duidelijk aflijnbare stukjes van hun werking (de inventarisatie, de ontsluiting van een specifieke collectie, de restauratie van een aantal objecten, de aankoop van een bijzonder object ... ). Elk van deze projecten/ investeringen versterkt inderdaad de werking, maar alles wat dagdagelijks wordt gedaan evengoed. Vaak wordt geprobeerd het project in maximaal 3 jaar af te werken, even vaak lukt dit niet. Dit zorgt daarenboven voor een enorme planlast. Voor elk project moet een aanvraag worden opgesteld, een dossier ingediend, 4 maanden gewacht worden, budget beheert, facturen bijgehouden en geoormerkt op dat project, een afrekening worden opgesteld en een eindevaluatie worden opgestuurd. Door het toekennen van één werkingssubsidie, dat variabel is en dus niet gelijk voor alle landelijke musea, hoopten we tegemoet te komen aan de vraag naar planlastvermindering.
Het merendeel van de projecten waarvoor nu een subsidie wordt aangevraagd kan perfect meegenomen worden in de meerjarenplanning. Ook het aankoopbeleid en een aankoopbudget kan meegenomen worden in de meerjarenplanningen en meerjarenbegroting. De reserveregeling zoals ze in het huidige Erfgoeddecreet is opgenomen zal blijven bestaan. Dit heeft de mogelijkheid aan instellingen en organisaties om subsidies over te dragen naar het volgende jaar en naar een volgende beleidsperiode.
De ondersteuning door de Vlaamse Gemeenschap van aankopen wordt binnen het cultureel-erfgoedbeleid beperkt tot de regeling voor sleutelwerken, het beschermingsbeleid voor topstukken en de collectie van de Vlaamse Gemeenschap.
Als we een analyse maken van alle voorbije projectsubsidies worden in feite bijna nooit projectsubsidies aangevraagd voor de ondersteuning van een project dat op korte termijn gepland is en op voorstel van een andere, soms grote presitigieuze instelling wordt opgestart. Het kan zijn dat we hier niet voldoende zicht op hebben.
Steden en gemeenten of intergemeentelijke samenwerkingsverbanden ontvangen van de Vlaamse Gemeenschap een werkingssubsidie voor het uitvoeren van het erfgoedconvenant. Ze kunnen voor hun lokaal cultureel-erfgoedbeleid geen bijkomende projectsubsidies aanvragen. Toch slagen ze er in om in te spelen op opportuniteiten en projecten op te starten die bij het begin van de beleidsperiode niet voorzien waren. Dit kan door verschuiving van middelen. Een subsidie wordt ook niet toegekend om specifieke acties, die perfect begroot zijn te betoelagen maar wel om het beleidsplan en de daarin opgesomde doelstellingen te bereiken.
Het agentschap zal bij het bepalen van de werkingssubsidie voornamelijk onderzoeken of de kosten realistisch, haalbaar en vergelijkbaar zijn met andere instellingen en conform de kwaliteitsstandaard.
3. Hoe het nieuwe steunpunt zal heten is nog niet beslist.
Wat een forum voor een geïntegreerde erfgoedpraktijk kan inhouden wel. Het is zeker niet de bedoeling dat dit overal een nieuwe instelling wordt. Het bouwt verder op de samenwerking die gegroeid is in heel wat steden tussen de verschillende erfgoedactoren die er momenteel actief zijn. Zo'n forum staat in feite niet alleen en los van de andere actoren maar is bij uitstek de plaats waar het verhaal van de stad, gemeente of de regio wordt verteld. Dit verhaal is gebaseerd op de Collectie van de stad (de verzameling van alle collecties cultureel erfgoed op het grondgebied van de stad of bijdragend aan het verhaal van de stad) en waar maximaal wordt ingezet op een geïntegreerd en integraal cultureel-erfgoedbeleid. Het forum maakt zo integraal deel uit van het lokaal cultureel-erfgoedbeleid. Het forum is een platform waar deze werking samenkomt en resulteert in dat verhaal. Zo'n forum hoeft dus geen collectie te beheren, hoeft niet vanuit een stads- historisch of ander museum te vertrekken kan evengoed groeien vanuit het stads- of gemeente archief, vanuit een erfgoedcentrum of erfgoedhuis (een term die niet door ons wordt gehanteerd maar in de sector opgang maakt). Die term zal niet moeten gebruikt worden voor communicatie. Antwerpen, Brugge en Gent zijn niet de enige die nu een dergelijk forum ontwikkelen. De minister wil deze drie wel gebruiken om op termijn meer middelen te krijgen voor het cultureel-erfgoedbeleid. Op termijn moeten, zoals je zelf ook onrechtstreeks aangeeft, alle kleine en middelgrote steden in Vlaanderen hierop kunnen intekenen. We voegen er graag ook de regio's aan toe die geen onbelangrijke erfgoedspelers zijn.
De subsidie voor de uitbouw van een dergelijk forum zal bestaan uit een verhoging van het variabele deel van de subsidie voor het uitvoeren van het erfgoedconvenant. De werking van het forum wordt samen met de werking van de erfgoedcel ingeschreven in het convenant. Daarnaast wensen we een inzicht te krijgen in wat het lokale bestuur (of alle lokale besturen wanneer een convenant wordt gesloten met een intergemeentelijk samenwerkingsverband) investeert in de erfgoedsector (investeringen in de eigen instellingen, ondersteuning van bv heemkundige kringen (logistiek, financieel of dmv personeel), ... ). Het zijn deze drie sporen (forum, erfgoedcel en ondersteuning lokale spelers) die in het erfgoedconvenant zullen worden opgenomen.
4. De kwaliteitsvolle werking en dus het beantwoorden aan de internationale normen zal blijvend gegarandeerd moeten zijn voor een indeling bij het landelijke niveau. Voor het verkrijgen van een erkenning speelt de kwaliteit van de werking al een rol. Voor indeling bij het landelijke niveau verwachten we meer. Het nieuwe Erfgoeddecreet zal op dat vlak weinig verschillen van het huidige Erfgoeddecreet. Onder punt 1 staat wat de reden is om landelijke instellingen meer te ondersteunen. We zijn ervan overtuigd dat zij een bijdrage kunnen leveren aan een betere zorg voor en ontsluiting van het cultureel-erfgoedveld. De landelijke instellingen (en dit geldt niet alleen voor musea) worden verwacht het voortouw te nemen voor een erfgoedgemeenschap. We hopen dat wanneer een museum aan de criteria voor landelijke indeling beantwoordt, mits een grotere investering de kracht heeft om deze functie op zich te nemen.
5. zie hoger
6. We zijn vertrokken van de realiteit om het cultureel-erfgoedbeleid beter te ontwikkelen en waar nodig te verankeren in een decreet. Een van de belangrijkste is: dat er meer en meer expertise gevraagd wordt, net zoals in de bedrijfswereld is er een stijgende vraag naar specialisering. We hopen door het clusteren daarvan in landelijke expertisecentra de ontwikkeling van expertise en het inzetbaar maken ervan te verbeteren. Dit moet de volledige sector ten goede komen. We hopen dat een betere ondersteuning van landelijke erfgoedinstellingen en -organisaties het bredere veld ten goede komt.
Het efficienter inzetten van mensen en middelen is niet alleen een basisprincipe in het nieuwe Erfgoeddecreet maar inderdaad ook een basisprincipe dat door heel veel lokale en provinciale besturen wordt gehanteerd. De wijze waarop de stedelijke musea Ieper samenwerken is een schoolvoorbeeld, in andere steden gebeurt hetzelfde, maar niet altijd even uitgebreid (in Antwerpen beperkt het zich in grote lijnen tot behoud en beheer, publiekswerking en communicatie/ in Brugge tot beveiliging en bewaking, communicatie en promotie en een aantal aspecten van behoud en beheer). Wanneer op deze manier de hoogste kwaliteit kan worden gehaald kunnen we dit alleen maar toejuichen en hopen dat dit, mits een grotere investering vanuit de Vlaamse Gemeenschap, voor bepaalde aspecten ook inzetbaar kan worden gemaakt voor de erfgoedgemeenschap. De Vlaamse Gemeenschap sluit hierdoor aan bij de in Vlaanderen gangbare praktijk.
De lokale en regionale besturen dwingen om bepaalde subsidielijnen uit te werken is niet mogelijk. Elke poging om koppelsubsidies in te voeren is tot mislukken gedoemd. Voor lokale besturen is er de mogelijkheid om een erfgoedconvenant te sluiten. Voldoende erfgoedkapitaal is de eerste en belangrijkste voorwaarde. Door samenwerking met omliggende gemeenten moet elke gemeente deze kaart kunnen trekken. Het erfgoedconvenant is een stimulans om een lokaal cultureel-erfgoedbeleid te ontwikkelen. Door het sluiten van een erfgoedconvenant heeft de Vlaamse Gemeenschap een sleutel in handen om lokale besturen aan te sporen te investeren in lokale instellingen en organisaties.
Met de provincies worden gesprekken gevoerd over het opnemen van hun verantwoordelijkheid. De gesprekken verlopen op dat vlak positief.
Het is ook op basis van de vraag naar ondersteuning voor het bibliografisch erfgoed in Vlaanderen dat een beleid wordt uitgetekend. De erkenning van erfgoedbibliotheken en de ondersteuning van een samenwerkingsverband 'de Vlaamse Erfgoedbibliotheek' vormen een eerste stap. De noden in de sector worden als uitgangspunt genomen voor het afbakenen van taken en opdrachten van dit samenwerkingsverband.
We hopen dat ook het kwaliteitslabel (confer de huidige erkenning) haar rol kan spelen als duwtje in de rug naar de lokale of regionale overheid. Zo is het altijd bedoeld, hopelijk kan het zijn rol nu ook ten volle spelen.
Met vriendelijke groeten,
Dries
|
| Wijziging decreet - Onderwerp/vragen en opmerkinge (gepost door Jozef Heylen + antw van de Vlaamse Gemeenschap) |
25-06-2007 10:17 |
Geachte,
Op het einde van de hoorzitting van vorige maandag werd gevraagd om al de gegevens even te laten bezinken en er een nachtje over te slapen om dan mogelijke opmerkingen te formuleren.
Dat nachtje zijn dan wel slapeloze nachten geworden.
De hoorzitting was zeer duidelijk en overzichtelijk waarvoor onze dank.
De wijzigingen naar de musea toe waren daartegenover zeer ontgoochelend en riepen heel wat vragen op.
Wij zouden het erg waarderen indien wij een duidelijk antwoord zouden krijgen op volgende vragen en vaststellingen:
-Blijft het systeem van erkenning en indeling bestaan of wordt dat een kwaliteitslabel ?
-Gans de wijziging is opgesteld naar stedelijke of provinciale musea, nergens is er sprake van privé-musea.
-Kan een privé- museum zich in uiterste nood wenden tot de zogenaamde erfgoedconvenant ?
-Kan een gemeente verplicht worden om rekening te houden met een privé-museum en welke gevolgen zijn er voor dat museum als de gemeente dat niet doet?
-Welke inpact kan een privé-museum hebben op het gemeentelijk cultuur beleidsplan?
-Is er in het nieuwe decreet iets voorzien in die richting?
-Wat als een gemeente het privé –museum daar niet in opneemt ondanks bijvoorbeeld de reeds bestaande erkenning van dat museum?
-Wat met het indienen van de beleidsnota tegen 8 januari 2008?
-op basis van bestaande decreet
-op basis van nieuw decreet
-op basis van bestaande decreet maar met een opening naar het nieuwe decreet
-Welk nut heeft het indienen (zeer veel kosten en werk) van een beleidsnota in het oude systeem als in het nieuwe systeem enkel en alleen bij een landelijke indeling een beleidsnota gevraagd wordt?
-De stimulans en betoelaging die gegeven werd vanuit het vroegere museumdecreet
(even later omgezet naar erfgoeddecreet) om te werken naar kwalitatieve goede musea wordt nu met één pennentrek vernietigd.
De inspanningen die door tal van musea gedaan werden wordt gewoon vernietigend van de tafel geveegd, want:
-De Vlaamse Gemeenschap toont duidelijk geen enkele interesse meer voor het grote en waardevolle middenveld dat er voor het ogenblik bestaat en dat de laatste jaren zelfs zeer positieve resultaten boekte. (een fout die vroeger reeds gemaakt werd naar de heemkringen toe)
-Alles wordt’ doorgeschoven’ naar gemeente of provincie .
-Betreffende de uniformiteit van beoordeling en betoelaging van uit de gemeenten en provincies bestaat er op dit ogenblijk geen enkele waarborg.
Daarenboven is er nog geen enkele waarborg over het feit of alle provincies wel
bereid zijn om te financieren
-Naargelang waar men gevestigd is zal er mogelijk een betoelaging toegekend worden.
-De werkingstoelage naar de regionaal erkende musea komt gewoon te vervallen
want geen enkele gemeente of provincie zal extra 50.000 euro betoelaging geven voor de werking.
Op die manier bestaat er nog alleen een elite en wordt het echte museumlandschap uitgeroeid, iets dat rechtlijnig staat tegenover het huidige erfgoeddecreet en de inspanningen die daaromtrent al gebeurd zijn.
-Welk nut heeft het nog om de zeer grote en dure inspanningen te doen om te beantwoorden aan vooropgestelde normen waarvoor in evenredigheid geen enkele wederdienst gegeven wordt?
Een inspanning van de musea die zeker ten goede komt aan het cultureel imago van Vlaanderen.
- Reeds jaren zet men er ons toe aan om een lange termijn visie en beleid te realiseren, met dit voorstel tot decreetwijziging is er geen enkel uitzicht meer op lange termijn want alles komt te vervallen of wordt een groot vraagteken. Lange termijn visie is trouwens gekoppeld aan de ‘zekerheid’ van financiële middelen.
- Het voorstel om via de provincies extra financiële middelen te geven naar depotvorming is lovenswaardig maar dat geld zal zeker niet gebruikt worden om de dagdagelijkse werking van de musea te ondersteunen. Het geld dat afgenomen wordt van de regionaal erkende musea zal gebruikt worden voor een depotvorming maar niet voor de werking.
-De aankondiging in het begin van de hoorzitting dat er extra ca. 2,7 miljoen
terbeschikking komt van cultuur lijkt ons een onjuiste voorstelling!
Het grootste deel van dat geld komt van het intrekken van de werkingstoelagen aan de regionale musea en is dus een herschikking en geen extra geld.
Blijkbaar moeten alleen de regionale musea zwaar inleveren... waarom ?
-Wat betreft de DAC ‘ers : het afbouwen of na evaluatie toewijzen aan andere instellingen is alleen maar mogelijk binnen een stedelijke structuur. De verschuiving naar een privé-museum of andersom is onmogelijk.
-Wat gebeurt er met al de eisen betreffende samenwerking en de reeds gerealiseerde zaken, want daar is nu geen sprake meer van?
-Er was sprake van een overgangsmaatregel, over de tijdsduur daarvan was enige onduidelijkheid, is de overgangsperiode 2 jaar of 6 jaar?
-In het bestaande decreet was de omschrijving regionaal helemaal niet bedoeld als een provinciale aangelegenheid. Het was bedoeld als een uitstraling over een zo breed mogelijke regio (zonder grenzen). Nu krijgen die musea een louter plaatselijke stempel.
Hopelijk krijgen wij bevredigende en, vooral geruststellende antwoorden op al die vragen.
Wij hopen dat de inspanningen om het ‘totale ‘museumlandschap kwalitatief verder uit te bouwen ( wat dank zij het bestaande museumdecreet gerealiseerd werd) kan behouden blijven en dat de “afstootpolitiek” van de regionale musea kan bijgestuurd worden nu het nog kan.
Want blijkbaar worden alleen de regionale musea ZEER zwaar getroffen door dit voorstel.
Wij zijn er klaar voor om ons werk met evenveel motivatie verder te zetten, wij hopen dat de huidige beleidsverantwoordelijken die motivatie niet volledig stuk maken.
Met ware hoogachting en hopelijk een verdere constructieve samenwerking gericht naar de praktijk en niet louter naar een financiële of theoretische benadering
Antwoord van de administratie
Geachte heer Heylen,
1. De huidige erkenning bestaat in feite uit het toekennen van een kwaliteitslabel. Het toekennen van een kwaliteitslabel blijft dus bestaan in het nieuwe Erfgoeddecreet. Het zijn echter niet langer enkel de musea die een kwaliteitslabel kunnen krijgen maar ook culturele archiefinstellingen en erfgoedbibliotheken. Het kwaliteitslabel wordt uitgebreid naar alle collectiebeherende instellingen. Eén van de centrale voorwaarden om het label te kunnen krijgen is het uitvoeren van de vier basisfuncties (verzamelen, behoud en beheer, onderzoek en publiekswerking). Elk van de drie soorten organisaties vult deze op haar eigen manier in. Voor musea is de permanente opstelling de basis van waaruit een groot deel van de publiekswerking vertrekt, bij archiefinstellingen gebeurt dat eerder vanuit een leeszaalwerking maar ook dmv tijdelijke tentoonstellingen.
Alle archiefinstellingen en musea die het kwaliteitslabel krijgen worden nadien ingedeeld bij het Vlaamse, regionale of lokale niveau. Dit zal gebeuren op basis van criteria (de kwaliteit van de werking, de schaalgrootte, de omvang en waarde van de collectie, de verantwoordelijkheid die het museum opneemt voor zijn erfgoedgemeenschap, ...) . De indeling heeft tot doel te bepalen welk bestuursniveau de verantwoordelijkheid draagt in de eventuele ondersteuning van de instelling. De hoofdverantwoordelijkheid ligt natuurlijk bij het bevoegde gezag; de rechtspersoon die eigenaar is van de collectie en de collectie of het archief beheert.
De Vlaamse Gemeenschap neemt de verantwoordelijkheid op zich om aan de erfgoedinstellingen ingedeeld bij het Vlaamse niveau een werkingssubsidie toe te kennen. Er wordt afgesproken met de provincies en de steden en gemeenten om ook hun verantwoordelijkheid op te nemen.
Er wordt bij de indeling van musea en culturele archiefinstellingen helemaal geen onderscheid gemaakt tussen overheidsinstellingen en private instellingen. Een provinciaal museum kan evengoed bij het Vlaamse niveau worden ingedeeld als een stedelijk museum of een privaat museum. Wanneer een museum bij het regionale niveau wordt ingedeeld moet het evenveel kansen krijgen ongeacht of het een privaat of een overheidsinitiatief is.
2. Het erfgoedconvenant is een contract dat gesloten wordt met een gemeente of een samenwerkingsverband van omliggende gemeenten. Het erfgoedconvenant verankert de doelstellingen van het lokaal cultureel-erfgoedbeleid van de gemeente of het samenwerkingsverband en legt vast hoeveel middelen de Vlaamse Gemeenschap daar voor vrijmaakt. De subsidie gekoppeld aan het erfgoedconvenant versterkt het lokaal cultureel-erfgoedbeleid.
Het is de gemeente of het samenwerkingsverband van gemeenten die beslist over hoe ze haar middelen (inclusief de subsidie van de Vlaamse overheid) inzet. De strategische doelstellingen worden in het convenant opgenomen.
Een privé-museum maakt net zoals elke andere erfgoedspeler deel uit van het lokale erfgoedlandschap. Als de gemeente een goed beleidsplan wil opstellen, zal ze vertrekken van een omgevingsanalyse en het in kaart brengen welke organisaties welke werking ontplooien, wat de meerwaarde daarvan is, welke knelpunten er zich voordoen, hoe ze hierop kan inspelen, ...
Een gemeente kan natuurlijk nooit verplicht worden om rekening te houden met haar volledige veld. De autonomie van elk bestuur is vandaag een verworvenheid waaraan het Erfgoeddecreet niet zal raken. Binnen de middelen die de gemeente ter beschikking heeft, zal een gemeente prioriteiten stellen. Welke deze zijn behoort tot de autonomie van het lokale bestuur.
Hetzelfde geldt voor het lokaal cultuurbeleidsplan. Ook hier zou de gemeente moeten vertrekken van een volledige omgevingsanalyse. Op basis daarvan worden prioriteiten gelegd en projecten ontwikkeld. In talrijke cultuurbeleidsplannen worden ook de privaatrechtelijke spelers meegenomen.
3. Het nieuwe beleidsplan, 2009 - 2014, dat moet ingediend worden uiterlijk 15 januari 2008 wordt opgemaakt op basis van het huidige Erfgoeddecreet (zie slide 57).
In de informatiebrochure cultureel erfgoed (p 23 ev) die vandaag is verzonden staat een tekst met een aantal richtlijnen en aandachtspunten.
4. Het huidige Erfgoeddecreet is het enige wettelijke instrument op basis waarvan aan musea een werkingssubsidie kan worden toegekend. Er is ook een overgangsmaatregel voorzien zodat provincies en steden en gemeenten zelf een beleid kunnen uitstippelen voor lokale en regionale musea. De Vlaamse Gemeenschap zal voor erkende musea ingedeeld bij het basisniveau nog voor 1 beleidsperiode (2009 - 2014) een werkingsubsidie toekennen, aan erkende musea ingedeeld bij het regionale niveau nog 2 jaar (2009 - 2010). Voor regionale musea geven we zo aan de provincies voldoende tijd om hun beleid af te stemmen op deze gewijzigde situatie.
5. De stimulans om te werken aan kwaliteitsvolle musea blijft behouden, het toekennen van het kwaliteitslabel is daar een eerste stap in. Het voeren van een complementair beleid tussen provincies, gemeenten en de Vlaamse Gemeenschap een tweede. De subsidiëring door middel van projectsubsidies van erfgoedprojecten, werkingssubsidies aan landelijke erfgoedinstellingen en de ondersteuning van landelijke expertisecentra en het steunpunt een derde stap.
6. Het depotplan van de provincies moet inspelen op de noden in het veld. De provincies krijgen hiervoor de verantwoordelijkheid om een dergelijk plan uit te werken. De provincies gaan akkoord dat dit tot hun kerntaken behoort.
7. Er komt wel 2,7 miljoen euro extra bij voor het cultureel-erfgoedbeleid gespreid over 2008 en 2009. Deze middelen blijven behouden voor het cultureel erfgoed.
De financiering vanhet volledige plaatje gebeurt niet ten koste van de betoelaging van regionale musea. Deze middelen worden wel geheroriënteerd.
8. DAC'ers normaliseren is geen evidente oefening. Tijdens de presentatie werden slechts 2 pistes naar voor geschoven. (- verankeren binnen een erfgoedconvenant en toevoegen aan landelijke erfgoedinstellingen). Dit zijn slechts oplossingen voor een gedeelte van de DAC'ers zodat de normalisering van alle DAC'ers nog niet sluitend is. Dit wordt nog verder besproken.
Met vriendelijke groeten,
Dries
t: 02 553 68 24
Reactie op hun antwoord.
Mechelen, 18 juni 2007.
Geachte,
Hartelijk dank voor het snelle en zeer duidelijk antwoord op de door ons gestelde vragen.
Een aantal onzekerheden zijn daardoor weggewerkt.
Wat zeker heel duidelijk is in het antwoord, is het feit dat de huidige regionale musea na 2010 GEEN werkingstoelagen meer krijgen van de Vlaamse Gemeenschap... Onbegrijpelijk!
Al deze musea hebben reeds een kwaliteitslabel op basis van zeer verantwoorde normen die in de vorige versie van het erfgoeddecreet gesteld werden.
Door het halen van die norm werd een uniforme basis-werkingstoelage van 50.000 euro (over gans Vlaanderen) gegeven die een deel van de kosten, voortvloeiende uit de zeer hoge eisen gesteld door de Vlaamse Gemeenschap, kon invullen.
Die financiële invulling is van levensbelang om de gestelde kwaliteitsnormen te blijven handhaven en werd ook meegenomen in de lange termijnplanning, die eveneens door de Vlaamse Gemeenschap werd opgelegd.
Bij het nieuwe voorstel komt deze compensatie voor kwaliteit te vervallen.
Het nieuwe zogenaamde complementair beleid is nog onbestaande en iedereen stelt zich zeer grote vragen of die 50.000 euro extra zullen ingevuld worden via een aanzienlijke verhoging van de reeds bestaande provinciale of gemeentelijke werkingstoelagen.
Daarenboven is de kans zeer klein dat er een volledige uniformiteit over alle provincies of gemeenten zou kunnen gerealiseerd worden voor een basis-werkingstoelage op basis van de indeling gegeven door de Vlaamse Gemeenschap,
een toestand die de gelijkheid van rechten (behandeling) zou kunnen schaden.
Indien in het nieuwe erfgoeddecreet een ‘formele’ bevestiging of verplichting kan ingebouwd worden voor het behoud van die basis-werkingstoelage van 50.000 euro bovenop de reeds gangbare werkingstoelagen binnen de provinciale of gemeentelijke reglementering, dan blijft de toestand gezond.
Indien men dat niet kan waarborgen vrezen wij voor een kwalitatieve aftakeling in het volledige middenveld van het huidige museumlandschap.
De stimulans om bijvoorbeeld van de basisindeling naar een regionale indeling te streven wordt dan volledig weggenomen.
Wij denken dat dat zeker niet de bedoeling kan zijn van de geformuleerde heroriëntering.
Wij hopen dat de zekerheid van het behoud van de bestaande werkingstoelage van 50.000 euro aan de regionale ingedeelde musea via het zogenaamde complementaire beleid kan bevestigd worden, een zekerheid die noodzakelijk is om een degelijk lange termijnbeleid te kunnen uittekenen.
Met ware hoogachting,
Jozef Heylen
algemeen directeur
directie@speelgoedmuseum.be
|
| Conservator/Directeur (gepost door Piet Coessens) |
21-06-2007 12:21 |
Mijn reactie heeft niet alleen betrekking op het nieuwe erfgoeddecreet maar op erfgoedsector in het algemeen en de positie van de kunstmusea in het bijzonder. Kunstmusea, vooral deze die moderne en hedendaagse kunst beheren, hebben een eigen dynamiek die niet altijd gediend is met de mentaliteit die in de erfgoedsector heerst. Ik pleit met name voor een veel sterkere vertegenwoordiging van artistieke deskundigen in de adviesorganen die het erfgoeddecreet voorziet. |
| Nieuwe Erfgoeddecreet (gepost door Dr. Wim Hüsken) |
21-06-2007 12:07 |
De voorstellen voor het nieuwe Erfgoeddecreet zijn nog niet definitief maar ik meen dat iedereen vanuit de musea toch ontsteld was over de gevolgen die uit dit nieuwe decreet te trekken zijn voor musea die een erkenning hebben op regionaal niveau (en waarschijnlijk ook de musea met een basiserkenning). Mij lijkt dat de Vlaamse Museumvereniging een ernstige aanleiding heeft om gezamenlijk een standpunt in te nemen en te proberen te tonen dat dit beleid geen draagvlak heeft binnen het veld. Ik zou daarom willen voorstellen om de VMV bijeen te roepen en als beroepsvereniging protest aan te tonen. Mij lijkt dat zelfs niet-leden van de VMV erbij betrokken kunnen worden |
| erfgoeddecreet (gepost door VMV) |
18-06-2007 15:23 |
Op 11 juni jl. werd een hoorzitting georganiseerd mbt de implementatie van een nieuw erfgoeddecreet.
Wat vindt u de pro's en contra's van het voorliggende ontwerp? |
|
|